Highlights uit het Symposium (Zelf)regulatie en verstandelijke beperking

Terug naar het overzicht

Op 13 december 2018 vond er in het auditorium van de Tilburg University het symposium plaats over (Zelf)regulatie en verstandelijke beperking. Onder leiding van de dagvoorzitter Wil Buntinx spraken Max Feltzer, Jan Gielen, André Rietman, Margriet Sitskoorn, Anton Došen, Stefan Bogaerts en Paula Sterkenburg over (zelf)regulatie in het algemeen en toegespitst op  verstandelijke beperking.  Deze sprekers gaven veel interessante informatie. In deze blog vind je een plukje daaruit.

 

Zelfregulatie speelt niet alleen een rol in de ontwikkeling van het individu, maar ook in de ontwikkeling van samenlevingen waarin ieder lid tot zijn recht komt. Zelfregulatie op individueel niveau  is onmisbaar voor een leefbare samenleving. Centraal gezag (kerk, overheid) beschikt over allerlei mogelijkheden om burgers te dwingen zich aan regels, normen en waarden te houden. Via socialisatie- en opvoedingsprocessen binnen en buiten het gezin leert het kind zich sociaal aan te passen en zich te gedragen volgens morele en conventionele regels.

Het ontwikkelen van zelfregulatie is zoiets als leren fietsen. Het belangrijkste daarbij is, dat je je evenwicht leert bewaren terwijl je tegelijkertijd op de pedalen trapt. In het begin heb je hulp nodig van je vader of van zijwieltjes, daarna kun je het zelf, zonder hulp, zelfs met losse handen. Daarna leer je de verkeersregels waar je je aan moet houden.

 

Het begrip zelfregulatie

Max Feltzer stond in zijn lezing stil bij het begrip zelfregulatie. Dat is ook wel nodig, want er zijn veel verschillende benamingen in gebruik ofwel als synoniem (bv. zelfsturing) of als verwant en een vorm van zelfregulatie aangevend (bv. emotieregulatie of zelfsturing). Een mooie definitie is die van Van der Stel (2013): “Zelfregulatie is datgene wat mensen tot mensen maakt. Het betreft hun vermogen hun psychisch functioneren –in het bijzonder hun zelf- te kunnen beïnvloeden. Zelfregulatie impliceert beïnvloeding van cognitieve, emotionele en motivationele processen en de regulatie van gedrag”. Over het algemeen worden binnen de zelfregulatie drie specifieke vormen van regulatie onderscheiden: cognitieve regulatie, emotieregulatie en gedragsregulatie. Nauw verwant met zelfregulatie, en volgens sommigen zelfs overlappend, is het begrip executieve functies.

 

Het verband tussen zelfregulatie en sociaal-emotionele ontwikkeling

Jan Gielen belichtte daarna de relatie tussen zelfregulatie en sociaal-emotionele ontwikkeling. Jan spreekt van sociaal-emotionele ontwikkeling, omdat hij daarmee de interactie tussen zelfontwikkeling en sociale ontwikkeling wil benadrukken.

Stoornissen van de zelfregulatie komen ook naar voren als symptomen van persoonlijkheidspathologie (bijvoorbeeld prikkelhonger, acting-out gedrag en “emotionele achtbaan” bij borderline stoornis) en ADHD (bijvoorbeeld moeite met afmaken van taken of impulscontrole).

Jan onderscheidt in de sociaal-emotionele ontwikkeling vijf domeinen: zelfontwikkeling, emotiedifferentiatie, ontwikkeling van emotieregulatie, sociale ontwikkeling en morele ontwikkeling. Zelfregulatie heeft in relatie tot zelfontwikkeling een adaptieve en een organiserende kant. De adaptieve kant verwijst naar het vermogen om doelgericht te werken, emoties te controleren en succesvol met anderen om te gaan en de organiserende kant naar de rol die zelfregulatie in de ontwikkeling van het “zelf” vervult. Door de regulerende uitingen van de ouder leert het kind gaandeweg zelf met zijn affectieve ervaringen om te gaan. De interactie tussen ouder en kind is wezenlijk voor de regulering van allerlei homeostatische systemen in de babyperiode. De affecten van kinderen met een ontwikkelingsbeperking of problemen in de prikkelverwerking zijn soms moeilijk door de ouder te interpreteren en omgekeerd hebben deze kinderen er soms moeite mee de representaties van de moeder waar te nemen en in hun “Zelf” te integreren.

 

Neuroplasticiteit

Margriet Sitskoorn benadrukt, dat elke interactie, iedere ervaring invloed heeft op de ontwikkeling van de hersenen. Dit heet neuroplasticiteit. Hersenen zijn gemaakt om zich te ontwikkelen door blootstellingen aan prikkels. Dit geldt ook voor mensen met een ontwikkelingsbeperking: ook hun hersenen veranderen door wat ze meemaken, mits dat specifiek is, bepaald en goed overdacht. Dus geen algemene en slecht afgestemde blootstelling! Dat heeft een averechts effect en zorgt alleen maar voor overprikkeling.

In ons brein bevinden zich een genotsnetwerk en een pijnnetwerk.  De netwerken worden door fysieke, tastbare ervaringen (bv. het krijgen van geld of pijn) geactiveerd. Ook niet-fysieke, sociale ervaringen kunnen beide netwerken activeren. Dit geldt  vooral voor de vijf domeinen van het SCARF-model: Status, Certainty, Autonomy, Relatedness en Fairness.  Deze domeinen spelen een doorslaggevende rol in sociale relaties.

Genot en pijn reguleren en sturen ons gedrag. Ze zijn heel sterk. Het nieuwste hersendeel, de prefrontale cortex, reguleert door middel van executieve vaardigheden pijn en genot.

 

Vier vormen van regulatie

André Rietman onderscheidt vier vormen van regulatie waarmee men gedrag kan verklaren:  fysiologische regulatie, sensorische regulatie, emotieregulatie en cognitieve regulatie. Niet altijd is gedrag door sensorische informatieverwerking (SI) te verklaren. Goed observeren en naar de betekenis van gedrag zoeken is basaal.

Regulatie heeft bij SI veel te maken met sensorische modulatie, het vermogen om adequaat om te gaan met de toevloed van prikkels. Prikkels bevorderen alertheid en maken het lichaam gereed voor handelen, voor actie, maar die prikkels moeten dan wel binnen de grenzen van een normaal arousalniveau blijven. Anders is er te veel arousal en overprikkeling of te weinig. Er kan ook sprake zijn van hyper- of hyporesponsiviteit (vormen van Sensory Processing Disorders) bij de persoon zelf. Die twee vormen roepen bij het kind of de volwassene een actieve (zoekend of vermijdend) of een passieve (toeschouwend of ontvangend) zelfregulerende gedragsresponse op.

 

Ontwikkelingsdynamisch model

Anton Došen besprak zelfregulatie aan de hand van zelf verwondend gedrag bij mensen met een ernstige verstandelijke beperking en gebruikte daarbij het ontwikkelingsdynamische model, dat door hem ontwikkeld is. Het ontwikkelingsdynamisch model is een zeer gewaardeerd model voor de ondersteuning van kwetsbare mensen. Het beschrijft de persoonlijkheidsontwikkeling van mensen met een verstandelijke beperking en geeft inzicht in de processen die zowel tot psychisch gezonde ontwikkeling (adaptatie) leiden als tot gedragsproblemen en psychopathologie. Hierbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de emotionele ontwikkeling. Het model bestaat uit vijf fasen. Met deze vijf fasen kan ook de ontwikkeling van de zelfregulatie (de regulatie van arousal en affect) weergegeven worden. Aan het begin daarvan (fase 1) staat de regulatie van fysiologische functies door het kind zelf en de regulatie door de moeder-kind synchronie van arousal en affect.  De ontwikkeling verloopt verder via dyadische regulatie (fase 2), “guided self regulation” (fase 3) en bevestiging van Ego (fase 4) naar interne regulatie door interpersoonlijke relaties (fase 5).

Blokkade van de emotionele ontwikkeling in fase 1 leidt tot overheersing van onder meer dysforie, angst, overprikkelbaarheid, huilbuien, onrust en zeer hoge arousal. Deze arousal leidt tot o.a. zelf verwondend gedrag.

Om een zelfregulatiestoornis goed te kunnen behandelen is het eerst nodig het ontstaansmechanisme ervan te ontdekken, te ontdekken welke basale emotionele overlevingsbehoeften er zijn en daaraan te voldoen. Het is effectief om plezierige emotionele ervaringen in de interactie met belangrijke anderen te stimuleren en externe zelfregulatie te bevorderen (voordat interne zelfregulatie mogelijk wordt). Gebruik psychofarmaca alleen wanneer onderdrukking van extreme excitatie en motorisch onrust noodzakelijk is.

 

Risk Need Responsivity Model

Stefan Bogaerts geeft aan, dat in de instelling waar hij als behandelaar aan verbonden is, het Risk-Need-Responsivity Model leidend is. Bij zijn LVB-cliënten ziet hij vaak hoge arousal niveaus, hetgeen voor de behandeling niet gunstig is. Cliënten hebben door vervelende en negatieve ervaringen in het verleden een permanente defensieve houding ontwikkeld.  Ze hebben hun reactieve agressie niet in de hand en missen sociaal-emotionele vaardigheden, vooral als het gaat om emotieherkenning bij anderen. In de behandeling wordt gebruik gemaakt van de methode Grip op Agressie en VRAPT (VR agressie preventie training). Het is belangrijk, dat de cliënten veel oefenen, positieve ervaringen op doen en ook leren te vragen naar de bedoelingen van de ander. Monitoring is mogelijk met behulp van “wearables” (apparaatjes die je dicht op de huid draagt en die bijvoorbeeld door huidgeleiding stress kunnen meten).

 

Co-regulatie

Paula Sterkenburg start haar presentatie met co-regulatie. Co-regulatie  betekent, dat ouders, door hun kind te helpen ongemakken te overwinnen, een emotioneel evenwicht herstellen. Hierdoor dragen ze bij aan de ontwikkeling van de zelfregulatie van hun kind.

Door de sensitiviteit van de ouder leert het kind gaandeweg zelf zijn of haar stress te reguleren. In de houding van ouders en begeleiders zijn sensitiviteit (gedrag signaleren en adequaat interpreteren), empathie (de ander begrijpen en meevoelen) en responsiviteit (betekenis geven en adequaat reageren) belangrijke aspecten. Een sensitieve ouder spiegelt de emotie van het kind. De ouder leert het kind ervaringen en gevoelens te ordenen en emoties zelf of binnen een relatie te ordenen (= veilige gehechtheidsrelatie).

Om ouders te ondersteunen in het sensitief reageren is er de VIPP-V interventie die er op is gericht  de sensitiviteit bij ouders te verhogen en positieve ouder-kind relaties te bevorderen. Daarnaast zijn er voor ouders en begeleiders nog een paar methoden ontwikkeld voor het verbeteren van empathie en sensitiviteit en daarmee van de gehechtheidrelatie (HiSense APP-ID, De wereld van Empa, “Aansluiten en stimuleren”-App en de methode Opbouwen van een vertrouwensrelatie).   Een ander ondersteuningsmiddel  voor ouders en begeleiders is de Slimme sok (Sense), dat informatie geeft over de emoties van het kind en diens reactie op de omgeving. Ook dit instrument draagt bij tot een hechtingsrelatie tussen ouder en kind. Met behulp van dit instrument is gebleken, dat het effect van een troostende handeling soms heel veel later in het gedrag van het kind zichtbaar wordt.

 

Meer leren over (Zelf)regulatie bij mensen met een verstandelijke beperking?

FORTIOR organiseert verschillende trainingen voor professionals die werken met mensen met een verstandelijke beperking, Zoals:

Embodiment: Benut je volledig potentieel: Tijdens deze studiedag geeft Claudia Theunisz uitleg over het belichamingsmodel en de relatie van lichaamszones met specifieke problematiek. Claudia gaat in op de verschillende manieren waarop mensen kunnen reguleren en hoe ze hun gezonde kant kunnen versterken.

Hartcoherentie bij mensen met een verstandelijke beperking: Een studiedag over hoe mensen hun hartritme kunnen beïnvloeden en zo beter in staat zijn om stress & emoties te reguleren. En specifiek hoe dit kan worden toegepast in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking

Mindfulness bij mensen met een verstandelijke beperking: Op deze dag krijg je handvatten om cliënten vanuit een Mindful benadering te begeleiden en hen meer autonomie te laten ervaren in het omgaan met stress en spanningen.

Sensorische informatieverwerking bij mensen met een verstandelijke beperking: Een inleidende studiedag op problemen in de sensorische informatieverwerking bij mensen met een ontwikkelingsbeperking en wat je hier aan kunt doen.

Aanmelden voor de nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van nieuwe trainingen en ontwikkelingen

Aanmelden nieuwsbrief