Wat bepaalt de effectiviteit van een methode?

Terug naar het overzicht
Wat bepaalt de effectiviteit van een methode

Er bestaan verschillende psychologische en pedagogische behandelmethoden voor kinderen met een ontwikkelingsbeperking, zoals mensen met autisme of een verstandelijke beperking. Wat zijn de verschillen tussen deze methoden? En wanneer zet je bijvoorbeeld ABA-methoden in of Floortime? De effectiviteit van de meeste behandelmethoden blijkt uit de praktijk en nog niet uit wetenschappelijk onderzoek. In deze post krijgt u geen antwoord op de vraag welke methode het meest effectief is en wanneer u een specifieke methode het beste kunt inzetten. U leest over effectstudies naar verschillende psychologische therapievormen en therapietradities. Zouden de uitkomsten van deze studies ook van toepassing kunnen zijn op behandelmethoden voor mensen met een ontwikkelingsbeperking?

 

In behandelmethoden voor mensen met een ontwikkelingsbeperking valt een onderscheid tussen methoden die zich (van oorsprong) richten op het gedrag. Daarnaast bestaan er methoden die zich richten op de relatie om ontwikkeling te stimuleren. De eerste categorie (behavioristische) methoden maken gebruik van beproefde leertheorieën, zoals het bekrachtigen van gewenst gedrag. ABA (applied behavioural analysis) is een voorbeeld van een behavioristische methode en is in verschillende wetenschappelijke studies aantoonbaar effectief gebleken.

 

Sommige professionals missen bij het toepassen van behavioristische methoden de aandacht voor sociaal emotionele ontwikkeling. Lees ter illustratie het verhaal van Ad van den Broek van FORTIOR. De relatiegerichte methoden besteden hieraan wel veel aandacht. Voorbeelden van deze methoden zijn Contactgericht Spelen en Leren (CSL), Floortime, Son Rise en (ten dele) Growing Minds. Deze methoden gebruiken bewust de relatie tussen de ouder / professional en de persoon met een beperking om een ontwikkeling tot stand te brengen. Ondanks deze belangrijke overeenkomst zijn er ook accentverschillen tussen de relatiegerichte methoden.

 

CSL en Son Rise hebben grote aandacht voor de attitude van de professional of ouder en linken aan de Cliëntgerichte benadering van Carl Rogers. Floortime is ontwikkeld door de kinderpsychiater Stanley Greenspan en past bij de psychodynamische traditie. Steven Wertz combineert in Growing Minds de behavioristische traditie met een relatiegerichte benadering. Alle voorgenoemde methoden claimen dat zij toepasbaar zijn op een brede groep cliënten, zoals mensen met autisme, ADHD, een verstandelijke beperking, enzovoorts. Welke methode werkt nu het beste en voor welke specifieke problematiek? Dit valt op dit moment moeilijk te zeggen. In het boek Psychologie van Marc Brysbaert kwam ik een passage tegen over wetenschappelijk onderzoek naar het effect van verschillende therapietradities. Voorbeelden van therapietradities zijn de Psychoanalytische therapieën, Humanistische therapieën, Gedragstherapieën (Behaviorisme) en Cognitieve therapieën. Alleen het effect van therapieën – die door de wetenschap als bonafide worden gezien – zijn onderzocht. De meeste studies gaan over kortdurende therapieën. Zouden de conclusies ook relevant kunnen zijn voor de verschillende relatiegerichte benaderingen die er bestaan?

 

Een van de wetenschappers die de effectiviteit van de verschillende grote psychologische therapiestromingen onderzocht is Bruce Wampold. Hij vond weinig evidentie voor systematische verschillen tussen de diverse therapiebenaderingen. Een reden hiervoor is dat de therapietradities ook veel overeenkomsten hebben: elke therapie biedt hoop aan individuen, de meeste therapiesessies verlopen (ondanks verschillen in achterliggende theorie) grotendeels gelijksoortig, goede therapeuten hebben kennis van basistechnieken en passen hun aanpak aan het probleem aan.

 

Toch lijkt de ene therapie beter te werken dan de andere. Welke factoren hebben dan wel invloed op het effect van de behandeling? Een van de factoren is de stoornis, niet elke problematiek is even makkelijk te behandelen. Ook de persoonlijkheid van de cliënt speelt een rol. De kwaliteit van de therapeut blijkt zeer essentieel. De verschillen in effect tussen therapeuten van eenzelfde therapiestroming blijken groter dan die tussen de diverse therapievormen zelf. (Wampold & Brown 2005). Daarnaast is de kwaliteit van de relatie van cruciaal belang. Carl Rogers heeft hierover eigen ideeën. Hij benadrukt het belang van empathie, het is belangrijk om warmte te voelen voor de cliënt en met hem mee te leven. Ook hecht Rogers aan het belang van authenticiteit van de therapeut. Dit betekent dat de therapeut open, menselijk en echt is in de relatie. Therapeuten die aan deze visie een goede invulling geven, zouden naar verwachting effectief moeten zijn.

 

Ook de voorkeur van de cliënt kan een rol spelen. Mensen kunnen zich wellicht beter vinden in de ene aanpak dan in de andere. Het wordt als onprettig ervaren als de therapeut zijn eigen theoretische achtergrond opdringt aan een cliënt die zich hier niet goed bij voelt. Het beste recept om als therapeut te falen is, volgens Jay Haley, alleen aandacht hebben voor hetgeen de therapeut zelf interessant en belangrijk vindt. Een falende therapeut hecht geen waarde aan de reden die de cliënt zelf voor de therapie ziet.

 

Meer leren over hoe je ontwikkeling kunt stimuleren?

FORTIOR organiseert trainingen voor professionals in de gehandicaptenzorg rond de thema’s emotionele ontwikkeling, relatie en communicatie. Bekijk hier de scholingsagenda van FORTIOR>>

Aanmelden voor de nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van nieuwe trainingen en ontwikkelingen

Aanmelden nieuwsbrief