Terug naar het overzicht

Hoe pas je het model en de methode de draad toe bij mensen met een ernstige (meervoudige) beperking?

FORTIOR versterkt jouw kennis en kunde

Aan de slag met model 'De Draad' bij cliënten met een ernstig (meervoudige) verstandelijke beperking

Schrijf je hier in

Let op! Beperkt aantal plaatsen beschikbaar.

Aantal keer bekeken: 155 views

 

De draad is een model en een methodiek die je kan toepassen bij verschillende doelgroepen: van baby’s tot bejaarden, van ernstig verstandelijke beperking tot normaal begaafd, bij cliënten met en zonder ernstige gedragsproblemen. Toch is het zo dat elke doelgroep zijn vertaling behoeft van het model en de methode. Je gaat anders te werk bij de verschillende doelgroepen, andere accenten worden belangrijk en ook de inbreng van de cliënt zelf verschilt. In deze blog legt Gerrit Vignero uit hoe het model en methode van de draad kan worden toegepast bij mensen met EVB en EVMB.

 

Ernstige (meervoudige) verstandelijke beperking

Bij cliënten met een ernstig verstandelijke beperking of een ernstig meervoudige beperking is het belangrijk om dieper in te gaan op het aspect van de basale emotionele ontwikkeling in de ‘eerste draad’: het trekken van de draad. Hoe zoekt de cliënt in de eerste draad verbinding? Hoe pas je de situatie aan? Hoe zoek jij verbinding? Er zijn cliënten die vanuit een aangeboren problematiek nooit of erg beperkt aan de hechtingsdraad toekomen. Ondanks de inspanningen van ouders of begeleiders en het trekken van de draad, lijkt die heel moeilijk te verbinden. Er blijft een gevoel bij ouders of begeleiders van weinig of geen wederkerigheid op het hechtingsappel. Bij cliënten met EVB of EVMB is het belangrijk bottom-up werken vertrekkende bij de basisaspecten van emotionele ontwikkeling en van daaruit stapjes opbouwen. Er wordt een traject opgebouwd vertrekkend van spoor, over poort, actie-reactie en samen doen.

In het model van de draad wordt de basis gelegd in het trekken van de draad. We onderscheiden daarbij:

  • het spoor: voorspelbaarheid in tijd, ruimte en activiteit
  • de poort: regulatie en vormgeven aan emotie
  • actie-reactie: een eerste vorm van samenspel
  • samen doen: gezamenlijke aandacht voor een voorwerp: joined attention.

 

Het spoor

Het spoor is een basale ingang bij mensen met een diep verstandelijke (meervoudige) beperking. Een regelmaat niet op de klok maar uitgaande van gebeurtenissen: wakker worden, voeding geven, verzorgen, knuffelen op de arm, snoezelen, … Dezelfde gebeurtenissen gebeuren op dezelfde plaatsen met dezelfde sferen en omgevingsvoorwaarden. Specifiek voor deze doelgroep zijn er aangepaste werkvormen rond het spoor uitgewerkt.

Bij heel wat cliënten kan je patronen en vormen herkennen die hen helpen om emoties te reguleren: patronen en vormen van het openen en sluiten van hun poort. Het herkennen van deze vormen geeft aan de begeleider handvaten, enerzijds voor de opstelling naar de cliënt en anderzijds om vormen te zoeken waardoor de inbreng van de begeleider emotie helpt te reguleren.

Als er plots in de leefgroep een begeleider binnenkomt, is Bart, een jongeman met een ernstig verstandelijke beperking, helemaal van streek. Hij schopt wild in het rond en begint te roepen. Voor hem is het niet meer duidelijk: wie is mijn spoor?

Brent is een jongen van 10. Er is een groot verschil tussen thuis en de school. Thuis bepaalt hij het spoor. Op school en in de leefgroep wordt het spoor bepaald door de begeleiders en leerkrachten. Thuis nemen de problemen erg toe omdat Brent eisend wordt. De ouders deinen mee op de emotie van Brent en hebben het moeilijk om een stop te zetten of om het dagschema te bepalen. Daardoor lopen ze vaak achter Brent en achter de feiten aan. Op school en in de leefgroep is de marge voor Brent eerder klein, maar daardoor kan hij wel vlot deelnemen aan alle activiteiten.

 

De poort

Bij contactproblemen gaat de poort niet of beperkt open. Het gaat om cliënten die moeilijk te bereiken zijn en die als het ware door je heen kijken. De wederkerigheid valt weg. Dit betekent niet dat ze geen spanning hebben, maar wel dat ze eerder zoeken om de spanning zelf te reguleren dan dat ze beroep doen op een belangrijke andere. Men merkt dat bijvoorbeeld aan de repetitieve gedragingen zoals wiegen of zelfstimulatie. Spanning daalt soms sneller door voorspelbaarheid dan door een begeleider die nabijheid geeft.

Bij Fauke herkennen we twee vormen van zelfbeschermend gedrag. Enerzijds speelt ze met haar handen en wrijft ze zachtjes met haar ene hand over de pols van de andere hand. Anderzijds zit de hele dag te wiegen, zo beleven begeleiders dat toch. Daarom zeggen sommige begeleiders dat ze daarmee moet stoppen. Alleen, als je zoiets essentieel voor haar wegneemt, moet je weten dat je een deel van haar zelfbeschermend gedrag wegneemt. Hier geldt: als je het wiegen wegneemt, moet je iets in de plaats bieden. Het bleek dat je in periodes met weinig spanning het gevoel had het wiegen mee te mogen sturen. Dan kon ze er makkelijk even mee ophouden als je dat vroeg. Daarnaast bouwden we in het dagschema periodes in waar ze mocht wiegen zo hard ze kon.

In periodes waar de spanning bij Zoë oploopt, voel je je vaak onmachtig. Er zijn bladzijden vol beschrijvingen van crisissen en logboeken met afspraken. We besluiten om minder stil te staan bij de crisisperiodes en in periodes dat ze zich goed lijkt te voelen, extra in te zetten op contact en activiteiten om samen te doen. We merken dat dat haar op dat moment goed doet. Hoewel moeilijke periodes blijven terugkomen, merken we dat deze korter worden en minder vaak voorkomen. Ze krijgt stilaan een band met opvoeder Jan.

 

Actie-reActie

Bij een aantal cliënten met een ernstig verstandelijke beperking en autisme komt ‘actie-reactie’ moeizaam of niet tot stand. Ze ontdekken niet dat een mens als activity center leuker is dan een Fisher-Price activity center of  een voorwerp. Bij deze cliënten zal de begeleider actie-reacties moeten initiëren of erin variëren. Bij het initiëren van actie-reactie lokt de begeleider de actie-reactie uit en bevestigt hij de leuke actie-reacties die vanuit de cliënt vertrekken. De bedoeling is dat er contactcirkels ontstaan. Met het initiëren van interacties wordt verbinding geïnstalleerd. Het gaat om het laten aanvoelen van de kracht van voorspelbare rituelen van uitwisseling tussen mensen. Bij het variëren van actie-reactie gaat het erom alternatieve manieren van actie-reactie aan te bieden wanneer de begeleider met de cliënt vast dreigt te lopen in bepaalde actie-reacties.

Bij andere cliënten met een diep verstandelijke beperking wordt hun actie-reactie ernstig probleemgedrag voor de mensen rondom hen. Ik denk hier aan cliënten die spuwen, luid roepen, dingen stuk maken, … Vaak wordt er in begeleiding te exclusief ingezet op het stoppen van deze negatieve actie-reacties, terwijl het vooral belangrijk is te variëren door andere vormen van actie-reactie te initiëren.

Soms lopen ouders vast in de actie-reactie met hun kind. Door de onzekerheid die ze ervaren door de duidelijk afwijkende ontwikkeling van hun kind dreigen ze soms de regie over de actie-reactie te verliezen. Dan gaan ouders soms gedrag toelaten, terwijl achter het gedrag de vraag van het kind zit om gereguleerd te worden. Soms wordt een actie-reactie een spoor.

Elke keer dat Jonas een koek vraagt, geven zijn ouders hem eentje. Hij kijkt    heel boos en zegt gebiedend: “Koek!” Hij is al eens boos geworden toen het te lang duurde. De ouders durven nergens meer met hem naartoe te gaan omdat hij zo eisend is.

Honderd keer vraagt Jan: “Vrijdag naar huis?” Als je dan geïrriteerd antwoord: “Jan, je weet dat toch! Ik heb het al gezegd!”, dan ga je er van uit dat Jan een informatieve vraag stelt. Terwijl hij vooral bezig is met jou als reactie. Het is goed om dan je eigen positieve reactie te gebruiken: “En beste Jan, en bij wie ben je nu? Wat gaan we straks doen?”

Ik denk aan Jan die spuwt. Reactie verzekerd. Er zijn verschillende reacties van begeleiders, reacties van andere cliënten, ingrijpen door de begeleider… Voor de cliënt een ambiance, gezichten die worden getrokken, er gebeurt iets, mensen worden in beweging gezet. Terwijl iemand die al verder geëvolueerd is in zijn ontwikkeling er de afkeuring of goedkeuring in herkent, ervaart iemand die zich in de prille fase van deze ontwikkelingsfase bevindt, enkel het effect en het hier-en-nu-spel. Jan doet dit al jaren waardoor het een moeilijk te doorbreken patroon is geworden.

 

Samen doen

Het is in vastlopende situaties vaak opvallend hoe moeilijk het is om erachter te komen wat de cliënt graag samen met de begeleider doet. Er zijn bladzijden met verslagen over het probleemgedrag, maar je vindt te vaak weinig terug van de interesses die zich afspelen tussen cliënt en begeleider. Daarom is het in de methode een aparte ingang geworden. Doorheen het proces van de methode van ‘de draad’ is het de bedoeling dat de procesbegeleider een lijst samenstelt van voorwerpen, thema’s, activiteiten om samen te doen.

Het samen doen is vaak de wonderingang! Het geeft mogelijkheid tot gunnen, tot herstel, tot bijtanken in de draad. Je voelt als begeleider van samen op weg te zijn, nog niet vanuit een hechting, maar in het hier en nu. De actie-reactie wordt een actie-actie.

Bij mensen met autisme of een diep verstandelijke beperking is het vaak niet zo eenvoudig om samen te doen. Sommige cliënten met een diep verstandelijke beperking komen niet toe aan deze fase. De beperking in  ‘joint attention’  is  één van de eerste indicatoren in het gedrag van een kind die wijzen op ASS. Dit betekent dat er extra moet worden ingezet op vormen waarin de aandacht wordt gedeeld.

Bij een video-analyse van Ismaël, een man met een ernstig verstandelijke beperking en autisme, werd onder andere gefilmd in het dagcentrum. Hij kreeg binnen een auti-programma een lijst van taakjes die hij visueel kon opvolgen op een overzichtsbord. Het was de bedoeling dat hij deze taakjes zou uitvoeren in zijn werkhoek. Hij bracht er heel weinig van terecht. Bij de kleursorteeroefening bijvoorbeeld legde hij de jetons lukraak en niet op kleur. Pas toen de begeleidster naast hem kwam staan, legde hij ze allemaal juist. De beloning ‘boekje kijken’ bleek niet boekje kijken te zijn, maar wel ‘begeleidster kijken’. Hij kwam geregeld uit zijn zetel om de begeleider te kunnen volgen.

De aanleiding bij het ontdekkend kijken naar Yanthe was haar chaotische en hysterische gedrag in de klas. Eén van de filmpjes was een opname in een individuele begeleidingssessie. Zo mooi, hoe de begeleidster met een brooddoos “Van wie is die brooddoos, Yanthe?” aan het werk ging in gedeelde aandacht. Zo rustig, zo samen en met zoveel aandacht. Dit stukje video was zo belangrijk dat het heel de omgang met Yanthe heeft veranderd.

 

Opbouwen van een hechtingstraject

Het is belangrijk om een traject op te bouwen bij cliënten met een verstandelijke beperking gericht op hechting. We zoeken uit hoe een hechtingstraject worden georganiseerd, vertrekkende vanuit het spoor. Er bestaan verschillende methodes. Er is de Ontwikkelingsdynamische Relatietherapie (ODRT) voor kinderen met een verstandelijke beperking en gedrags-en psychische stoornissen (Došen, 1990), de Integratieve Therapie voor Gehechtheid en Gedrag (ITGG) ontwikkeld door Paula Sterkenburg  (Sterkenburg, 2014), vormen van contacttherapie (Kraijer, 2004) en ‘ontdekkend kijken’ en ‘videotraining’ in de methode Heijkoop. .

Een mooi voorbeeld zag ik bij een begeleiding vanuit de methode Heijkoop. Een veertiger met een ernstige verstandelijke beperking en vermoedens van autisme was al langere tijd heel onrustig en bracht veel onrust in de groep omdat hij voortdurend luid aan het roepen was. Men probeerde de situatie anders te organiseren door een apart hoekje te voorzien, zijn kamer meer te gebruiken, te werken met medicatie … Er was geen verandering.  Een aanpak waarbij gedurende enkele maanden één begeleider een individueel traject met de man kon uitbouwen, bleek wel te werken. Ze gingen samen op pad, maakten muziek …, er waren heel wat ‘de weg is het doel’- activiteiten’. Dat bleek te werken. Nog eens een bevestiging van hoe belangrijk het is te werken vanuit het opbouwen van een verbinding en niet alleen vanuit afspraken en organisatie.

Een voorbeeld van een hechtingstraject met opeenvolgende onderdelen in een activiteit opgebouwd met één begeleider:

  • de foto van de begeleider en de cliënt van het dagbord nemen en naar de speelhoek gaan
  • een spelletje vertrekkende van wat een cliënt graag doet (vb. een puzzel maken)
  • een actie-reactie spel: handklap, kiekeboe, liedje …
  • in de keuken een koek en drankje gaan halen, voor cliënt én begeleider
  • de koek samen opeten
  • een motorische oefening
  • een boek inkijken
  • afronden door terug te gaan naar het dagbord van de cliënt

 

1. Maak een spoor. Zorg in het dagschema van de cliënt dat één begeleider meermaals per week een vaste activiteit doet met de cliënt. Op het dagschema wordt de foto van de begeleider opgehangen. De activiteit bestaat uit verschillende onderdelen, die bij de aanvang van het traject volgens éénzelfde volgorde verlopen. Er is geen enkele verwachting naar de cliënt. Het is niet de bedoeling vaardigheden aan te leren. Hoe snel herkent de cliënt de volgorde van de onderdelen? Naast activiteiten is het de bedoeling een aantal rituelen inbouwt. Zinnetjes die terugkomen, een aanraking, iets vertellen, …

2. Zoek de poort. Ga na of de cliënt niet alleen het spoor snel herkent, maar of er herkenning ontstaat naar de begeleider die het spoor trekt. Merkt de begeleider na enkele dagen een verschil met de situatie voor het traject startte? Heeft de cliënt snel verwachting op wat er als onderdeel volgt? Ontstaat er spanning en ontspanning? Welke activiteiten samen met de begeleider zorgen voor ontspanning?

3. Herken je actie-reactie? Werkt de actie-reactie tijdens de activiteit? Werkt de actie-reactie in het actie-reactie spel? Herkent de cliënt de ritueeltjes die de begeleider heeft ingebouwd? Eens de volgorde van de activiteiten voor de cliënt voorspelbaar is, kan je na een tijd variëren in de volgorde van de onderdelen. Is het leuk om onderdelen toe te voegen of te veranderen?

4. Samen doen. In het begin is het mogelijk dat de meeste onderdelen van de activiteit lijdzaam door de cliënt worden ondergaan. Toch is het belangrijk dat de begeleider het programma volgt. Het is bijvoorbeeld geen probleem dat de begeleider de puzzel helemaal zelf maakt. Het is immers niet de bedoeling puzzelen aan te leren, maar wel verbinding te onderzoeken. Ontstaat er na een tijd gemeenschappelijke aandacht voor de puzzel? Komt er joint attention? Komt er samenspel en uitwisseling?

5. Ontstaat er een gevoel van verbinding en een vorm van hechting en verwachting tussen de begeleider en de cliënt? Wordt dit opgemerkt als de begeleider in de gewone dagroutine met de cliënt werkt? Ontstaat er een herkenning die verder reikt dan de 1/1 situatie? Merken andere begeleiders een verschil in de contacten tussen de begeleider van het hechtingstraject en henzelf?

6. Op basis hiervan kan een traject worden gezocht over verschillende begeleiders heen.

 

Meer leren over de draad bij mensen met EVB of EVMB?

In samenwerking met Gerrit Vignero organiseert FORTIOR en studiedag over hoe het model en methode van de draad toegepast kan worden bij cliënten met een ernstig meervoudige beperking. De docent gebruikt meer specifieke voorbeelden en filmpjes voor mensen met een ernstig verstandelijke beperking en hij gaat met de deelnemers na hoe bewust kan worden ingezet op het vinden van de draad. Meer informatie over de studiedag

 

Meer informatie over het model en methode van de draad

Op de website  www.gerritvignero.be  vind je veel informatie over de draad. Ook kun je op deze website allerlei werkbladen, schema’s en brochures downloaden.

In het kader van CCE-podium heeft Gerrit Vignero een ted talk opgenomen waarin het model wordt uitgelegd.

 

 

 

 

Geïnteresseerd in meer artikelen zoals deze?
Blijf dan op de hoogte via onze nieuwsbrief.

Aanmelden voor de nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van nieuwe trainingen en ontwikkelingen

Aanmelden nieuwsbrief