Terug naar het overzicht

Autisme; Achterstand of andere kwaliteiten?

Carolien Rieffe Aantal keer bekeken: 298 views

In de zorg is het gebruikelijk om in termen van ontwikkelingsleeftijden te denken en te spreken over een achterstand in ontwikkeling. In de verschillende bijdragen aan het symposium “Emotionele ontwikkeling als basis”  dat plaats vond op 23 april 2015 kwam dit terug. Hierop reageert Carolien Rieffe in haar blogartikel. Ze voert argumenten aan om niet van achterstand uit te gaan, maar van een kwalitatief andere ontwikkeling, zeker in het geval van ASS.

 

Ook ik betrap mezelf er vaak op, als ik de uitkomsten rapporteer van een vergelijkend onderzoek, dat ik schrijf “In vergelijking met een controle groep, tonen de kinderen met ASS (autismespectrum stoornis) een achterstand op…”. Het zit zo in onze manier van denken gebakken, we hebben zo strak geleerd om de kinderen zonder ASS als ‘normaal’ te beschouwen; om hun scores als norm te hanteren, waartegen willekeurig welke andere groep het überhaupt vaak aflegt. Echter, een verschil tussen twee groepen, betekent niet automatisch een achterstand van de ene groep ten opzichte van de andere. In tegendeel.

 

Ik zou willen bepleiten dat kinderen met ASS een kwalitatief andere ontwikkeling tonen ten opzichte van kinderen zonder ASS. In ieder geval op mijn vakgebied, de emotionele en sociale ontwikkeling. En ik zal dit toelichten met een voorbeeld.

 

Wij hebben onderzoek gedaan naar het gevoel voor ‘fairness’ bij twaalfjarige kinderen met ASS en zonder ASS. Fairness laat zich moeilijk in het Nederlands vertalen, maar verwijst naar het gevoel dat het eerlijker is om goederen gelijk te verdelen over meerdere personen. In sommige onderzoeken gaat het om snoepjes verdelen, maar wij gebruikten munten, zoals ook bij dit soort onderzoek onder adolescenten en volwassenen wordt gebruikt. De proefpersoon kreeg elke keer de keuze uit twee opties. Een standaard optie was altijd 1 munt voor het kind zelf, en 1 munt voor een andere persoon, dus 1:1.

 

De alternatieven wisselden. De ene keer was het alternatief 2 munten voor zichzelf, 0 munten voor de ander, dus 2:0. Of de proefpersoon kreeg evenveel als in de eerlijke optie, maar de ander niets, dus 1:0. Maar we hadden ook moeilijkere opties, waarbij het kind 1 munt kreeg, dus winst noch verlies had, maar de ander kreeg er nu 2, dus 1:2. En deze optie werd ook omgekeerd aangeboden, dus 2:1.
Vanuit het gelijkheidsprincipe zouden kinderen altijd de 1:1 optie boven de alternatieve optie moeten kiezen: iedereen een gelijk aantal munten, niemand een voordeel boven de ander. Maar in de eerste plaats zagen we al dat alle kinderen, met of zonder ASS, toch een sterke voorkeur hadden voor de ongelijke opties als ze daar zelf winst mee behaalden. Hierin verschilden beide groepen niet.

 

Echter, daarnaast zagen we minder vaak een voorkeur voor de gelijke verdeling bij de ASS groep als het alternatief 2:1 of 1:2 was. Dus is er hier sprake van een ontwikkelingsachterstand? Dat kan niet, want in de andere opties zagen we dat kinderen met ASS net zo vaak als de groep zonder ASS de gelijke verdeling koos. Dus wat was zo bijzonder voor de kinderen met ASS aan deze twee condities?

 

Nadere inspectie toont dat het in deze twee opties gaat om een vorm van economische winst. In de gelijke verdelingsopties is het totaal 2 munten. In de twee genoemde ongelijke verdelingsopties is het totaal 3 munten. Dus ongeacht wie de winst zou krijgen, de kinderen met ASS kozen gewoon vaker voor de optie met de beste economische uitkomst. Dit toont aan dat kinderen met ASS het gelijkheidsprincipe wel kennen, en ook toepassen, maar niet als het ten koste gaat van economische winst, ongeacht wie de begunstigde is. Dat zou kunnen duiden op een zeer praktisch ingestelde en zelfs altruïstische houding.

 

Kortom, misschien is het goed om verschillen tussen groepen niet automatisch te interpreteren als een ontwikkelingsachterstand, maar als een kwalitatief andere ontwikkeling, die vanuit het perspectief van het kind vaak heel goed te begrijpen is en vaak duidt op een adequaat ontwikkeld sociaal inzicht, maar vanuit een andere motivatie.

 

Dit onderzoek naar fairness is Engelstalig na te lezen:
Schmitz, E., Banerjee, R., Pouw, L.B.C., Stockmann, L., & Rieffe, C. (2015). Better to be equal? Challenges to equality for cognitively-able children with ASD in a social decision game. Autism, 19, 2, 178-186.

Prof. dr. Carolien Rieffe is verbonden aan Faculteit der Sociale Wetenschappen, Instituut Psychologie, Ontwikkelings- & Onderwijspsychologie van Universiteit Leiden. Lees meer over haar onderzoeksgroep op

Vond je de blog interessant? Wil je op de hoogte blijven van onze blogs? Meld je dan nu aan voor de nieuwsbrief!
Aanmelden voor de nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van nieuwe trainingen en ontwikkelingen

Aanmelden nieuwsbrief